De lachende schaamlippen



Aflevering 3 van Zeg ‘ns AAA (willekeurig gekozen op rtlgemist.nl) is nog maar zes scènes gevorderd en waar gelachen wordt blijkt dat bijna helemaal om dubbelzinnigheden te gaan. Wieb is echt niet blij met de eters die Gert-Jan heeft uitgenodigd. Ze heeft geen tijd het diner te maken. ‘Er wordt genaaid op het atelier.’ Die ligt zelfs Chiem van Houweninge iets te veel voor de hand. ‘Wanneer ben je klaar?’ vraagt Gert-Jan. Zoon Pim slaat aan, maar Wieb onderbreekt hem: ‘Geen leuke grappen op de vroege morgen, Pim!’ Ja, waarom zit ik dan naar Zeg ‘ns AAA te kijken. Om de leuke grappen toch?
Een scene later is Nel, Miens moeder, op bezoek in de keuken. Eerst wordt nostalgisch gedaan over een kommetje voor de jus in de stamppot, dan moet de huishoudster van de familie Van der Ploeg even aan Koos denken. Hij is in Frankrijk. ‘Ze gaan aan het dak beginnen.’ Goh. Wat wordt beoogd
met deze dialoog? Nostalgie? Betrokkenheid? We kijken naar een comedyserie. Over scharrelkippen gaat het en dat woord, ‘scharrel’, brengt oma op haar begeerde liefdesleven. ‘Een tevreden naaier is geen onrustzaaier,’ zegt ze. Het nadert gênant en het wordt niet minder als Gert-Jan op zijn spreekuur een sexy jongedame ontvangt. Ik word gekweld door enig medelijden met de acteurs. Het theater van de lach kent op dit terrein geen scrupules. Peggy-Jane de Schepper speelt de oversekste patiënte en ze zit met haar schaamlippen. ‘Soms kijk er naar met een spiegeltje en dan denk ik: kut.’
Ik heb nooit van Zeg ‘ns AAA gehouden, maar ik heb het succes wel begrepen. Het was vriendelijk, huiselijk, Hollands. Maar Holland is Holland niet meer, het land heeft een keer of drie zijn onschuld verloren en de makers van de nieuwe Zeg ‘ns AAA kozen niet voor nostalgie, maar juist voor het heden. ‘Wij vonden het leuk in te haken op een algehele trend, waarin vrouwen hun borsten laten vergroten en bejaarden ook recht hebben op een leuk seksleven’, zei Chiem van Houweninge in een interview. Dan krijg je een lach omdat Mien Dobbelsteen ‘vetcool’ zegt. Maar het gevolg is een treurig, wrakkig, wringend schouwspel. De kijker heeft dat afgestraft. Van de 2 miljoen kijkers die op 7 maart getuige waren van de eerste aflevering bleven er nog een kleine 800.000 over.
De televisiekijker lijkt te hongeren naar comedy. Het krijgt altijd een kans. De reprise van ’t Schaep werkte, Kinderen geen bezwaar hoort bij het zaterdagavondmenu en Toen was geluk heel gewoon weet op het ietwat beledigende tijdstip (dinsdagavond, half elf) nog bijna 1 miljoen kijkers te trekken. Er is echter weinig comedy en vooral: nauwelijks ambitie. Zou er niet eens een masterclass-achtige cursus moeten komen om beginnende schrijvers te trainen en een kans te geven?
Op de VPRO kon je lang rekenen als het om originaliteit en lef ging. Ik herinner mij Fred Haché en Barend Servet, Hertenkamp en Jiskefet. Maar hoe treurig het gesteld is met de staat van de Nederlandse comedy wordt wel schokkend geïllustreerd met het initiatief van de VPRO de BBC-serie Yes Minister voor Nederland te bewerken. Elf afleveringen maar liefst en op de tweede serie is al een optie genomen.
Het is een hard gelach dat humor op de Nederlandse televisie vooral verzorgd wordt door typetjes. Koefnoen, Draadstaal, De TV-Kantine. En dat de meeste comedyseries van de grond komen door zich op een oud of buitenlands voorbeeld te baseren. ‘Chiem, ben je klaar?’
‘Op mijn leeftijd gaat dat niet zo snel meer, Marina.’