|
Het is een vak Toen ik (in 1977) regisseur werd van AVRO’s Toppop leidde dat tot serieus huiswerk. Had ik de Dolly Dots, ik zette zes luciferstokjes rechtop in het hoogpolig tapijt en legde daar in een waaier vier pennen tegenover die de camera’s voorstelden. Dan begon de puzzel. Welke camera maakte welk shot, welke beweging en wanneer ging ik over van de een naar de ander en vaak ook: hoe voorkwam ik dat kabels in elkaar verstrikt raakten en vooral: ging ik niet over de as? Dat leidde tot een draaiboek, een shotlist. Dat hoefde dan in de studio alleen nog maar wat aangepast en vervolgens uitgevoerd te worden. Er kleefden enige nadelen aan dit systeem. Bedacht ik dat camera 2 eens een rijder helemaal van links naar rechts moest maken, ging je net zien dat die cameraman nog geen inzoom kon maken die in het ritme zat. Ook had ik thuis, met mijn gereedschap, geen rekening gehouden met die drummer die zo leuk bezig was. Na vast wel een jaar of twee veranderde ik van methode. Ik zette mij op een stoeltje voor de artiest(en), zette razendsnel streepjes (harde overgangen) of kruisjes (dissolves) en schreef shots in terwijl de playbacktape afgespeeld werd. Pas toen ik ook popconcerten ging doen zat er niets anders op dan het ook wat meer uit de losse pols te doen. Gewoon lekker los gaan is inmiddels gemeengoed geworden. Een enkele keer als ik muziek heb bij Pauw & Witteman wil ik het nog wel eens ‘scripten’ en dat ervaart iedereen dan als fijne nostalgie, alsof de post weer eens met de koets bezorgd wordt. Waar je gewoon aan gewend bent geraakt is dat je met weinig woorden wel ongeveer krijgt wat je als regisseur in je hoofd hebt. Toen werd ik door 1 Vandaag genodigd twee semi-live uitzendingen te verzorgen tijdens de Amerikaanse presidentsverkiezingen vanuit een diner in Alliance, Ohio. We vonden een facilitair bedrijf in Cleveland. Tijdens een werkbezoek maakten ze een professionele en minstens toch welwillende indruk. Maar de repetities waren nog niet begonnen of ik begreep dat ik met cameramensen te maken had die hoogstens gewend waren in een totaalshot over een footballveld te pannen, maar die nul ervaring hadden in een talkshowachtig programma. ‘Are you doing camera today, Trish?’ hoorde ik. ‘No, I’m shading.’ Multi-inzetbaarheid is geen garantie voor kwaliteit. De cameramensen zetten hun statief allemaal op lichaamslengte, ik moest hen manen naar ooghoogte te gaan. Hun shots waren doorgaans beroerd gekadreerd en als een gast, eenmaal in een close-up was gevangen, een beetje bewoog gingen ze niet mee. Werd het licht op een shot aangepast gingen ze de volgende repetitie ergens anders staan. Voor een verlangde pan van een exterieur van Doug’s Diner naar Rockhill Avenue moest ik de cameraman tien meter verplaatsen. Voor de handheldtussenhots van ontbijtende gasten neigden ze op de plaats rust te gaan en dan sterk ingezoomd (dus trillend) gezichten aan te bieden. Van eerst establishen en dan dieper in de actie gaan hadden ze nog nooit gehoord. Had ik hen eenmaal dichter naar een booth gedirigeerd moest ik hen vragen of ze svp even door de knieën wilden gaan. Zat er iemand de USA Today te lezen (kop: ‘Obama wins’) moest je niet denken dat ze op het idee kwamen een overshoulder te maken. Het begon meer op een spoedcursus dan op een betrekkelijk simpele klus te lijken. Ook in Nederland heb ik met amateurs, slaapkoppen en tegenliggers te maken gehad en nog wil er wel eens een misser tussen zitten, maar toch ben je gewend geraakt aan professionaliteit. Tegen al die mensen met wie ik al die jaren gewerkt heb en die ik nooit of zelden complimenteerde met wat ik als vanzelfsprekend beschouwde wil ik (in een vlaag van sentiment) zeggen: bedankt. In Alliance, Ohio realiseerde ik me: het is een vak. |