|
De meisjeskijker - The making of ... Ik kwam op Nevis omdat ik bedacht dat ik een doelgroep was. Het was 1991 en ik moest er nodig eens uit. Het was november. Waar kon ik heen? Toen ben ik de advertenties in NRC/Handelsblad gaan bekijken en zo kwam ik bij Travel Elsewhere terecht. Dat reisbureau bleek gerund te worden door één persoon: Else. Ze had zich gespecialiseerd in reizen naar de Caribean en zij raadde Nevis aan. Eigenlijk houd ik niet van eilanden, maar mijn snobisme won het van mijn fobie. Niemand die ik kende was ooit op Nevis geweest, niemand die ik kende kende Nevis. We vlogen naar Sint-Maarten en werden vervolgens in een veel kleiner en lawaaiiger vliegtuig naar Nevis vervoerd. Het eiland had alles dat ik van een eiland vreesde: er liep een weg omheen met af en toe wat doodlopende takken landinwaarts, er was een sluimerend stadje, Charlestown, een Amerikaans golfresort en een hapbaar uitstapje, naar St. Kitts, het zustereiland. De zon scheen keurig, de muggen waren een plaag en als je met je blote kont in het zand ging zitten werd je lek gestoken door de sandflies. Het eiland dwong je tot een tempo dat zeer ontstressend was. Nevis was ooit in Engelse handen geweest en dat gaf het een stijl en allure die aangenaam was. Zelfs de overzichtelijkheid begon mij na een paar dagen te bevallen. Zo waren er drie, hoogstens vier plekken waar je goed kon eten. Uit mijn aantekeningen: De mooiste avond was in The Hermitage. Dat heb ik wel mooi aan mijn geboorteland te danken. Als de Hollanders in Brazilië niet de techniek van het suikerriet verbouwen geperfectioneerd hadden en als ze dat niet zo kwistig verspreid hadden over het Caribische gebied waren er niet van die fraaie plantershuizen op Nevis geweest. Toch? The Hermitage is zo'n tropische villa, het is nu een restaurant. We betraden een ruime huiskamer. Op de piano stonden vele fotolijstjes, op het tafeltje lagen dementerende boeken en tijdschriften over tuinieren, in een stoel zat een Engels heertje en ik ben niet verbaasd als ik hoor dat hij Jonathan heet. Alle ramen en deuren van The Hermitage staan open. Er zijn geen muggen, de krekels maken een hoop herrie, maar daar kan Pavarotti tegenop. Het Engelse heertje heeft voor de gastheer, Richard, een CD meegebracht waarop Othello staat. Zo installeer ik mij voor het diner in een fauteuil van ouderwetse klasse, prompt springt een zwart katje op mijn schoot. Ik rook een pijp, ik luister naar de muziek, ik streel de kat, ik ben zeldzaam gelukkig. De ober heeft een toespraakje over het menu voorbereid, hij praat heel erg zacht en het is net zo Engels als Fries Nederlands is en wij concluderen dat voor het hoofdgerecht te kiezen valt uit 'fish' of 'meat'. Even na achten worden wij uit de zitkamer losgerukt, op het balkon staan twee tafeltjes en daar zit al een ander stel, zij komt uit New York, hij uit Curaçao, hij spreekt Nederlands, ze zijn net getrouwd en ze kijken elkaar lang en diep in de ogen, zodat er niet te veel gebabbeld hoeft te worden en Othello nog steeds goed doorkomt. De ober werkt de gangen vlot af, zodat Pavarotti nog volop in de weer is als ik de koffie in de zitkamer bestel. Het waait zachtjes, die Verdi kon er wat van, de kat komt weer op schoot en de pijp smaakt bijzonder. Dit moment, deze plek, ik wil hier nu wel doodgaan. Het zou dertien jaar duren eer deze ervaring verwerkt werd in een roman, die De meisjeskijker ging heten. Maar er was een tussenfase. Hoewel aan de Algarve meer te beleven viel dan op Nevis vond ik de tijd in een vakantie van twee weken maar liefst drie scripts voor tv-movies te schrijven. Ik had mezelf die opdracht gegeven. De verhalen moesten zowel spannend als erotisch zijn en ik was van mening dat de Duitse televisiemarkt interesse zou tonen voor de verfilming van deze scripts. De meisjeskijker heette toen Portret van een moordenaar. Zoals wel vaker verliet het plan mijn computer niet. In 2004 herlas ik Portret van een moordenaar en het was wat het was: het script voor een tv-film. Zou ik eens op avontuur gaan? Ieder boek dat ik tot op heden had geschreven was volgens een schema, een plan verlopen. Hoewel ik wel ongeveer wist waar ik heen wilde schreef ik ditmaal eerder associatief, van scène naar scène, een methode die mij overigens nogal wat kopzorgen bezorgde. En niet bepaald voor herhaling vatbaar was. Ik moest mij bovendien niet laten blokkeren door gebrek aan kennis. Ik had slechts een reisverslag van Nevis paraat en een en ander dat ik van internet geplukt had, maar: Lagen er wel winkels aan de main street van Charlestown? Was de veerboot naar St. Kitts wel dubbeldeks? Waren er wel villa’s hoog op rotsen met zicht op strandjes? Toen niet meer dan het karkas van De Meisjeskijker af was had ik maar weinig aanmoediging van welwillende lezeressen nodig om de volgende stap te zetten: ik zou terug moeten naar Nevis. Als ik in De Meisjeskijker geloofde zou ik moeten zorgen dat het meer naar Nevis ging ruiken. Ik vond Else terug, Else van Travel Elsewhere. Ze was net terug van Nevis. Ze zei dat het er nog steeds paradijselijk was, ze had er een huis laten bouwen en ze liet foto’s zien op haar laptop. Het was geen geringe investering die de roman mij waard leek, maar ik ging dus. Ik vloog op Eerste Kerstdag 2004 voor de tweede keer naar Nevis. Uit mijn aantekeningen: zaterdag 25 december 2004 Firefly Cottages, Nevis De douane op Nevis is traag, maar dan word ik opgewacht door zowel een taxi die me naar Firefly kan brengen als door de meneer van de autoverhuur. Ik heb absoluut geen zin nog te gaan rijden en zeg dat de jeep morgen maar gebracht moet worden en ik stap in de taxi. De chauffeur heeft maar één oog en hij zegt dat hij Deo heet. En dat op eerste kerstdag. Ik zeg dat Deo God betekent, maar dat heeft hij nog niet eerder gehoord. We rijden een stukje de bergen in. We worden gewaarschuwd voor overstekende apen. Ik kan me geen apen op Nevis herinneren. Deo heeft geen idee waar hij heen moet, maar daar verschijnt een blonde dame (wit t-shirt, blauwe batikdoek als rok) met een zaklantaarn. Ze heet Pia en ze komt uit Zweden. En dan ben ik in mijn huisje. Het is iets te veel keuken en iets te weinig Bert-comfort (bureautje, luie stoel). Maar wel heel sfeervol. Geen gordijnen voor de ramen. Dringend verzoek binnen niet te roken (Nevis is vooral populair bij de Amerikanen). Pia brengt me nog wat drank en dan ook een asbak. Ze belooft te proberen mijn jeep in alle vroegte bij mij te krijgen. Ik pak uit. Ik kom tafeltjes en plankjes te kort. Ik vind het altijd heerlijk van alles (vooral de boeken) uit te stallen. Als ik geïnstalleerd ben kook ik wat water in een steelpannetje en maak ik een koffietje met zo’n handig zakje van Nescafé (cant’t leave home without it). En ik ben tevreden over mezelf, want in een trommel heb ik lekkere speculaasbrokken. En dat is mijn kerstdiner. zondag 26 december 2004 Wat ben ik afgesneden van de actualiteit: geen tv, geen radio, geen kranten. Maar ook geen stemmen op de gsm, geen sms-jes, geen e-mails. Wat ik wel heb: bos. Nu ik mijn verblijfplaats bij daglicht zie blijk ik wel heel erg in het bos te zitten. Achter mij: Mount Nevis, aan de andere kant: een baai van de zee. Ik maak een eerste foto. Kan ik iets met meneer Braun op deze locatie? Gisteren schreef ik op het vliegveld over zijn tussenstop in Sint Maarten. Ga ik mij niet te veel af laten leiden door sfeer, zodat de plot in het gedrang komt? Het is licht bewolkt en nog niet warm. De zon komt achter de bergen vandaan. Deze plek is een vergissing. Ik moet gewoon in een fijn hotel zitten, het isolement vind ik toch wel. Ik loop het karrenspoor een eindje heuvel af en een eindje heuvel op. Mijn huisje is onfotografeerbaar, helemaal door bomen ingebouwd. Ik moet zo snel mogelijk die auto hebben. Dit moet ik maar zien als iets dat door de dokter is voorgeschreven Voor je het weet ga je de toerist uithangen, maar ik ben hier wel voor mijn werk. Ik moet research doen. Dus ook af en toe eens een foto of notitie maken. Voor een kerkje waar auto’s op de heuvel geparkeerd staan keer ik terug. Ik zie meer kerkgangers, de vrouwen en meisjes zien er zondags uit en daar kan ik dus wat mee. Het is een misvatting dat ik het meneer Braun leuk laat vinden auto te rijden op Nevis. Het is een hachelijke onderneming. Hoewel je links moet rijden zit het stuur gewoon ook links (die auto’s zijn goedkoper), zodat je niet herinnert wordt aan die verkeersregel. Gaten en kuilen in de weg, auto’s die geparkeerd staan, overstekende geiten (nog geen aap gezien). Ik rijd door Charlestown, dat kan ik beter onderzoeken op een doordeweekse dag. Ik moet nu de oostkust naderen en zie een afslag naar de Montpelier Plantation Inn. Daar dan maar heen voor hoognodige koffie. Ik neem plaats op het winderige (ook iets waar ik iets mee moet, het waait hier altijd) terras en vraag om applepie of cheesecake. Uiteindelijk krijg ik toast en bananenbrood, met jam en boter en suiker, ik merk ineens dat ik uitgehongerd ben Wil ik vandaag wel naar The Hermitage, hoofdlocatie van mijn boek? Het mag gewoon niet zo zijn. Waar de weg al lang minder is vraag ik de route aan een man. Het is tegenover Spiders Garage, zegt hij en als ik omgedraaid ben wil hij het heel gedetailleerd nog eens uitleggen. Ik schaam me diep, ik vind het niet. Bij de supermarkt koop ik wat in aan drank, nootjes en koekjes. Ik zoek mijn huisje op (dat ik in mijn hoofd inmiddels een ‘interessante vergissing’ begin te noemen) en vul de ijskast. Een salamander probeert tegen het raam klauterend de vrijheid te vinden, maar als ik te hulp schiet smeert hij ‘m. Ik ga het hier niet lang volhouden, maar waar de actie is op Nevis (if any) moet ik nog uitvinden. Ik kom er achter dat de bordjes ‘open’ geen betekenis hebben op Nevis. Bij de start- en landingsbaan van het vliegveld is een pizzeria aan het strand die ook open en dus dicht is. Ik loop het gebouwtje van het vliegveld even in, want ik wil wel een plattegrond van Nevis. Maar die is er dus niet. ‘Are you leaving or arriving?’ vraagt een aardige man. ‘Researching?’ Maar als ik dat eens even structureel aan ga pakken is dat in drie dagen klaar. Een interessante vergissing, hè? Dit is nieuw: op tweede kerstdag zie ik op tegen oudejaarsavond. Waarom ben ik dan niet op Curaçao? Ik ga wel in razend tempo op de depritour. Misschien moet er eens een aap op het balkon verschijnen. maandag 27 december 2004 De sultana die ik als lokaas op de reling van het balkon had gelegd werkt niet: nog steeds geen aap gezien. Wel een zo’n klein zwart vogeltje dat het wel een groot insect leek. Zodat ik opnieuw The Hermitage moet vinden, hoofdlocatie van De Meisjeskijker. Het is bijna 1 uur. Het kan niet missen, het is schuin tegenover de ingang van Montpelier. Ik rijd de weg op, benieuwd of wat ik in mijn hoofd heb al is het maar een beetje op de werkelijkheid aansluit. Het is verbijsterend. Terwijl ik mij toch werkelijk alleen het balkonnetje en de salon voor de geest kon halen stuit ik op van alles dat gewoon klopt met zoals ik het zag toen ik het schreef. Er is zelfs dat muurtje bij de ingang. Ik zuig details op. Ik kan lunchen op het grote terras (dat ik mij niet herinner). Ik krijg black bean soup, een sandwich met tuna, een carrotcake met beste espresso na. Dertig dollar. Drie andere tafeltjes zijn bezet met Amerikaanse echtparen op leeftijd. Dan meldt zich een jongeman, de zoon van de eigenaar, begrijp ik. ‘How was your lunch?’ En het is gewoon ‘mijn’ Roger. Brilletje, beetje kaal, dertiger, groen Bali-T-shirt, beige broek. Als hij zich aan mijn tafeltje vervoegt ben ik te verbijsterd om nog wat vragen te stellen. Dan ga ik met de Canon op jacht. Het apparaat is een zegen, want zo maak ik digitaal notities. Helemaal kloppen gaat het niet (zo moeten de huisjes bij mij meer op elkaar uitkijken), maar het kleurt in wat ik zocht. Bij de receptie reserveer ik een tafel voor diner op dinsdagavond. Op de terugweg doe ik Charlestown. Het is zinderend heet op de Main Street. Tweemaal rijdt een auto langszij en biedt zich als taxi aan. Ik rijd helemaal voorbij het vliegveld naar Nesbit Plantation Inn. Op het grasveld wordt cricket gespeeld. Het is niet een plek waar ik me erg thuis zou hebben gevoeld. Veel oudere Engelsen. dinsdag 28 december 2004 Ik werd om kwart over zeven wakker door het lawaai dat de bovenburen maakten. Bovenburen? Ik heb geen bovenburen. Dan was er dus een aap op het dak. Haastig opgestaan en een chocoladebiscuitje in het bos geworpen. Geen resultaat. Het was ook al weer stil op het dak. Toen ook nog een koekje in een boog op het dak gesmeten, maar nog steeds geen aap gezien. Het ene detail (de naam van de kerk die meneer Braun bezoekt) lokt een ander detail uit (tegen de gevel van welke winkel leunt hij om naar de kerkgangers te kijken). En dat is ook weer niet de bedoeling. Ik ga zo even op pad om te kijken of de ruïne die zich hier verderop moet bevinden een geschikte plek is voor een verkrachtingsscène. Het is een heel gedoe, zo’n reisprogramma omgooien, maar ik ga hier geen dag te lang blijven en het geeft je wel het gevoel dat je je leven een beetje in de hand hebt. Ik ben om half elf bij Else (nadat ik een flink eind het bospad opliep, veel mooie vlinders zag en uiteindelijk een bordje trof dat naar rechts wees waar niets dan diepte, dicht bos en wat onbestemde keien waren) en ze zegt dat St. Maarten – Curaçao bevestigd is. Kan ik daar een print-out-bewijs van krijgen? Op de terugweg check ik even Pinney Beach en loop ik over het strand naar The Four Seasons. Ook ellende, te veel mensen, te veel geld. ‘This is what vacation is all about,’ zegt een dikke dame terwijl ze zich uitstrekt op haar ligbed. Ik besluit – na een blik – niet in het Hermitage-beachhouse te lunchen, maar rijd door naar Oualie Beach. Daar ziet de hamburger van de buurman er goed uit. Voor bestellen en betalen moet je veel geduld hebben. Dan rijd ik naar het vliegveld om ook het Winair-ticket om te zetten. Ook dat duurt een eeuwigheid. Maar het geeft niet, want ik ben tevreden over mezelf. woensdag 29 december 2004 Er was een aap, maar ik heb de aap niet echt gezien. De aap was op het dak en toen ik opstond om weer met koekjes of pinda’s te gaan smijten nam iets lichtbruins een snoekduik van het dak in het bos en weg was de aap. Het kan dus ook een poema of een golden retriever zijn geweest, maar ik denk dat het een aap was. Gisteren: weer even langs die allerhartelijkste dame van het cybercafé (die het appartement van haar tante aan een vriend verhuurd heeft en nu weigert hij eruit te gaan terwijl tante terugkomt) en vervolgens naar The Hermitage waar ik dus al om 5 uur ben. Net wordt de wagen achter het paard (een stevige knol) gespannen. Ik moet zorgvuldig mijn plekje kiezen. Er is klassieke muziek, maar wel een soort Best of. Ik krijg mijn espresso, rook mijn pijpje (geen bezwaar hier) en schrijf af en toe iets onnozels op als ‘coconutchips’. De salon loopt voller. ‘Roger’ meldt zich, die man met dat staartje moet zijn vader zijn, want die komt ook al een praatje maken. Het is zo gek dat ik eigenlijk geen vragen heb. Sinds ik weet dat die bomen mangobomen zijn weet ik eigenlijk genoeg. De rest is sfeer. De maaltijd is vier gangen met enige keuze. Ik word als eerste naar het terras begeleid en krijg een beroerd plekje: in een hoekje, in de wind. Discriminatie van de single. De pompoensoep is lekker, het taartje lijkt mij opgebouwd uit inktvis en ik vind het taai, die gegrilde konijnenborst smaakt wel maar het is te veel (ik gooi stukjes voor de hond in het prieeltje) en ik gebruik de cranberrycheesecake (beetje te zacht, wel lekker) met de espresso weer in de salon. De terugrit vereist enige concentratie voor de toerist. Ze rijden harder en meer onbezonnen ’s avonds. Ik ben aangenaam moe. Lees nog wat en slaap alweer goed. Tot ik gewekt word door iets op mijn dak dat dus bruin bleek te zijn. ’t Is niet eens dit huisje dat me niet bevalt. Het is een prima huisje met lekker veel bos voor de deur en in de verte hoogstens het geluid van een cirkelzaag. Het is dat ik er geen plekje heb. Geen lekkere stoel om in te lezen, geen tafel om aan te werken. Zodat ik het echt werken aan het manuscript maar tot Curaçao uitstel. Ik ga lunchen bij Pinney’s Beach. Geboeid volg ik een meisje een tafel verderop. Haar moeder is geheel en al in beslag genomen door een studentikoze jonge neger (brilletje voor op neus), die ik een paar keer een zin hoor beginnen met: ‘Another interesting book is…’ Het meisje, zes jaar hoogstens, zeurt geen seconde. Ze wordt geheel genegeerd en laat het gebeuren. Dan komt het eten. Ze stapelt de sla, de uien en het tomatenschijfje op haar hamburger en drukt het broodje stevig aan. Dan prikt ze de patatjes weg met haar vork. En kijkt naar de toren van de hamburger. Ze is als een hoogspringster die de lat beoordeeld. Ze pakt het broodje op. En legt het weer neer. Foute aanloop. Heel geduldig en bedachtzaam pakt ze de klus aan. Om uiteindelijk de helft van haar broodje op te peuzelen en de restanten maar meteen zelf bij de bar in te leveren. Haar moeder merkt het niet eens. Dan ga ik naar mijn boshut. Ik heb hoofdpijn. Morgen lekker weg van dit eiland, dat zijn taak heeft volbracht. Wat was het feestelijke en wereldse Curaçao een zegen na het slaperige en achterlijke Nevis. Ik verwerkte mijn aantekeningen in het manuscript. En liet het verhaal rusten in mijn computer. ‘Rijpen’ noem ik dat. Hoe het nou kwam dat het toch nog bijna 5 jaar zou duren eer De meisjeskijker er was? Dat is een ander en minder exotisch verhaal. Het boek bestaat, eindelijk. |